Hoofdmenu

De piste kent geen genade

De 2 stratenlopen over 10km die ik in juni afwerkten, gaven me goesting om nog eens een poging te doen om een goeie 10.000m op tartan af te werken. Het provinciaal kampioenschap in Essen viel hiervoor perfect op de kalender.
De week voordien kon ik in Beveren nog wat aan mijn snelheid werken op een wedstrijd over 2 mijl. Ik had opnieuw met clubgenoot Yannis Brichant afgesproken om samen te werken om een zo goed mogelijke tijd op de klokken te zetten. Ook Dirk Brynaert kon zijn wagonnetje aanpikken bij ons. De eerste 4 rondjes verdeelden Yannis en ik onder mekaar. Na een sterke eerste ronde bleven de rondetijden hangen rond de 1’19” à 1’20”. Niemand leek de benen te hebben om het tempo iets hoger te leggen. Na halfweg nam Dirk een rondje voor zijn rekening en nadien was het opnieuw aan mij.
Met nog 800m voor de boeg verhoogde Yannis het tempo. Ik kwam net van kop en slaagde er niet in om te volgen. Ook Dirk had niet meteen een antwoord klaar. Ik bleef nog een rondje in het spoor van Dirk. Op 500m van de finish begon ik op mijn beurt aan mijn eindrush. Dirk moest onmiddellijk een gat laten. Naderen op Yannis lukte me evenwel niet. Dankzij een snelle laatste ronde finishte ik in 10’28”50. Vooraf had ik gehoopt op een tijd tussen 10’20” en 10’25”. Dat zat er spijtig genoeg niet in, maar ik had wel het gevoel dat ik de rondetijden van 1’20” nog wel een tijdje kon aanhouden.
Het echte doel lag een week later in Essen. Hopelijk kwam ik tijdens de wedstrijd een aantal collega’s tegen die net als mij een eindtijd van 34’30” nastreefden. Ik belandde al snel in een groepje dat onder leiding van Stefan Rens vertrok aan een perfect tempo van 1’21” à 1’22” per ronde. De snelheid zakte echter al heel snel. Aangezien blijkbaar niemand zich hierom bekommerde, schoof ik na 4 ronde maar vanuit vierde positie naar de leiding van het groepje. Met een doorkomst van 6’59” na 2km leek de beoogde tijd moeilijk haalbaar. Het kopwerk werd nadien verdeeld tussen Koen Binnemans en mezelf. Op dat moment werd duidelijk dat een tijd rond de 35 minuten het hoogst haalbare was. Halfweg passeerden we namelijk in 17’30” en kreeg ik het stilaan moeilijk om Koen te volgen.
Niet veel later moest ik hem ook laten lopen. Toen ik nadien enkel op mezelf was aangewezen, gingen de ronde- en kilometertijden dan ook lichtjes naar boven. Al bij al kon ik het verval redelijk binnen te perken houden. In het traagste gedeelte van mijn race verloor ik 2 seconden per ronde, ofwel 5 seconden per kilometer. Koen was zo’n 40 meter op me uitgelopen, maar ik merkte dat ik stilaan terug dichter kwam. Bij het ingaan van de slotronde was ik genaderd tot op 5m. Ik zou het gat echter niet helemaal dichtkrijgen. In de laatste 400m liep hij opnieuw 20m van me weg. Dankzij een slotkilometer van net onder de 3’30”, zette ik een eindtijd van 35’16”62 op de klokken.
Ik moet eerlijk zijn en stellen dat ik zelfs niet in de buurt kwam van de vooropgestelde tijd van 34’30”. Zelfs onder de 35 minuten duiken, zat er niet in. Ik moet vaststellen dat het op de piste moeilijker is dan op straat om een goeie tijd neer te zetten. Dan ligt niet enkel aan het feit dat het op straat min of meer 10 kilometer is en op de piste minstens 10.000m is. Afhankelijk van het aantal atleten dat je dubbelt komen daar nog wat meters bij. Er is ook het feit dat je de helft van de wedstrijd in een bocht loopt. Dat loopt voor mij althans toch net dat tikkeltje minder vlot dan op een rechte stuk. Echt slecht was het natuurlijk ook niet. Ik bleef in de buurt van de 35 minutengrens. Bij mijn volgende wedstrijd op straat tracht ik daar nog een keer onder te duiken.

Loopgroeten,
Dries 

© 2011 SAV vzw.